Bij de DDC gaat het om een semi-actief regelsysteem voor het rijwielgedeelte. Dit reageert automatisch op manoeuvres zoals remmen, accelereren, bochten nehmen, en de toestand van het wegdek. Aan de hand van via sensoren geregistreerde parameters wordt de demping aangepast. Dit gebeurt via elektrisch aangestuurde demperkleppen.

De DDC is via de CAN-bus met de tractiecontrole DTC en het ABS verbonden. Het systeem signaleert regelactiviteiten van de andere systemen en past de vering aan die vereisten aan. Afhankelijk van of het gaat om in- of uitveren, volgt een gescheiden aansturing van de uitgaande en ingaande plunjer van de demper. 

De aanpassing van de demping gebeurt via een elektrisch aangestuurde proportionele-demperklep waarin een ringvormige gleuf de doorstromingshoeveelheid van de schokdemperolie aanpast. Door de omgekeerd proportionele verandering van de doorstroomsnelheid en druk wordt de dempingskracht binnen enkele milliseconden aan de nieuwe omstandigheden aangepast.

Bij de Dynamic Damping Control (DDC) worden in tegenstelling tot bij ESA II kenvelden toegepast die binnen een bepaald bereik de optimale demperinstellingen regelen. Via drie met een druk op de knop te selecteren basissettings, „Comfort“, „Normaal“ of „Sport“, kan de rijder met dit systeem met zijn individuele voorkeursinstellingen rijden. Net zoals bij ESA II wordt de gekozen setting zichtbaar gemaakt in het instrumentenpaneel. Net als bij ESA II biedt ook de DDC een variabele veerconstante.

De voordelen worden aan de hand van enkele voorbeelden voor bepaalde situaties snel duidelijk. Voor aanvang van de rit wordt door het omdraaien van de contactsleutel eerst de systeemcheck geactiveerd. Hierbij wordt ook informatie van het motormanagement, het ABS, de sensorbox (DTC) en de veerwegsensoren van de Dynamic Damping Control (DDC) gecontroleerd. In het instrumentenpaneel verschijnt een weergave.

Bij het wegrijden worden de kleppen van voor- en achterdemper vanaf een instelbare minimum snelheid, slechts beperkt aangestuurd. Wanneer de rijder accelereert, bijvoorbeeld bij het uitrijden van de bebouwde kom, wordt de achterdemper harder gemaakt op basis van de veranderde dynamische wieldrukverdeling en de aandrijfkracht. Pas bij het bereiken van de kruissnelheid gaat de aansturing van de klep terug naar de uitgangswaarde. Hierbij gaat informatie van de gashendel via het motormanagement naar de DDC-besturing en van daar naar de demperkleppen.

Bij het nemen van een bochtencombinatie wordt de aansturing van de beide demperregelkleppen, uitgaande van geringe stroming, bij een toenemende hellingshoek verhoogd tot het toppunt. Bij het oprichten van de motorfiets tussen beide bochten in, keert de aansturing van de beide regelkleppen bij de afnemende hellingshoek steeds terug naar zijn oorspronkelijke stromingswaarden. Zodra de bestuurder de tweede bocht inrijdt neemt de aansturing weer proportioneel aan de hellingshoek toe en na het toppunt weer af. Hierbij gaat informatie van de sensorbox (DTC) naar de DDC-besturing en van daaruit naar de demperregelkleppen.

Bij het remmen, bijvoorbeeld bij een spoorwegovergang, neemt de aansturing van de veerklep in de voordemper proportioneel toe met de deceleratie, zodat tijdens het remmen de dempkracht wordt verhoogd – en de stabiliteit toeneemt. De Dynamic Damping Control (DDC) houdt hierbij niet alleen rekening met de dynamische fase van het aanremmen tot aan het punt van constante vertraging en de wiellastverdeling, maar ook met de aansluitende statische fase.

Bij het bereiken van de juiste snelheid, hier voor het passeren van de spoorwegovergang, keert de spanningsvoorziening en daarmee de aansturing terug naar de uitgangswaarde. Hierbij gaat informatie van de handrempomp aan het stuur naar het ABS en van daaruit via de DDC-besturing naar de demperregelkleppen.

Bij het passeren van de spoorwegovergang, hier als voorbeeld voor alle soorten oneffenheden in het wegdek, worden de regelkleppen van voor- en achterdemper proportioneel aan de inveerweg aangestuurd. De informatiestroom loopt uitgaande van de veerwegsensoren voor en achter via de DDC-besturing naar de regelkleppen. Komt de motorfiets vervolgens tot stilstand, dan worden de regelkleppen op dezelfde manier aangestuurd als bij de eerder beschreven remmanoeuvre. Eenmaal tot stilstand gekomen wordt de aansturing van de regelkleppen gedeactiveerd.

De voordelen van de Dynamic Damping Control DDC liggen voor de hand: het systeem verwerkt in korte tijd veel informatie en kiest per situatie de juiste, uiterst precieze rijwielgedeelte-instelling. Dit resulteert in een duidelijke toename van de actieve rijveiligheid, het bedieningsgemak en niet in de laatste plaats uw rijplezier.

Het verings- en dempingssysteem DDC zal in de nabije toekomst worden geïntroduceerd op de serieproductiemodellen van BMW Motorrad.
+ Lees verder